Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
NJ 2016/222)
14 juli 2017.
Hoge Raad
In deze zaak vordert verweerder betaling voor werkzaamheden die hij mondeling had afgesproken met eiser. Eiser betwistte dat hij opdrachtgever was en stelde dat de vennootschap opdrachtgever was. De rechtbank kende een deel van de vordering toe, het hof bekrachtigde dit vonnis en oordeelde dat eiser hoofdelijk aansprakelijk was.
De Hoge Raad stelt vast dat het hof onterecht de feitelijke grondslag van de vordering heeft uitgebreid door te oordelen dat verweerder zich ook op hoofdelijke aansprakelijkheid van eiser beriep, terwijl dit niet uit de gedingstukken bleek. Dit is in strijd met artikel 24 Rv Pro, dat de grenzen van de rechtsstrijd beschermt.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof Den Haag en verwijst de zaak naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling. De Hoge Raad wijst het verzoek van eiser tot afwijkende proceskostenveroordeling af en veroordeelt verweerder in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het arrest van het hof Den Haag wordt vernietigd en de zaak verwezen naar het hof Amsterdam.