In deze zaak stond centraal de vraag of het hoger beroep tegen een beschikking van de rechter-commissaris, die volgens art. 490d Rv is uitgesloten, doorbroken kan worden met een beroep op een doorbrekingsgrond. ING Bank had een pandrecht op een bollenkraam van New Tulip Holding B.V. (NTH) en hield na executieverkoop een creditsaldo aan, dat zij niet verdeelde met andere pandhouders.
De rechter-commissaris wees een rangregeling af en oordeelde dat er niets te verdelen viel. De andere pandhouders gingen in hoger beroep, dat het hof ontvankelijk verklaarde en de beschikking vernietigde. De Hoge Raad oordeelt echter dat art. 490d Rv het hoger beroep tegen beschikkingen van de rechter-commissaris uitsluit, maar dat cassatieberoep openstaat.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verklaart de verweerders niet-ontvankelijk in hun hoger beroep. Tevens wijst de Hoge Raad het incidentele verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad af en veroordeelt de verweerders in de proceskosten.