Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
gevestigd te Amsterdam,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
2 juni 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een journalist die in Sudan werkzaam was en voor Radio Dabanga radioreportages maakte. Na een inval van de Sudanese veiligheidsdienst in het kantoor van de organisatie HAND, waar mogelijk een studio van Radio Dabanga was ingericht, vluchtte hij naar Nederland. Hij vorderde van Stichting Free Press Unlimited (FPU) schadevergoeding wegens onrechtmatige daad, stellende dat FPU zonder zijn medeweten een studio had ingericht die gevaar voor hem opleverde.
De kantonrechter wees de vordering af en het gerechtshof Amsterdam bekrachtigde dit oordeel. Het hof oordeelde dat onvoldoende was komen vast te staan dat er daadwerkelijk een fysieke radiostudio aanwezig was in het pand van HAND en dat er geen causaal verband bestond tussen de studio en de vlucht van eiser.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte de stelling van eiser heeft teruggebracht tot de aanwezigheid van een radiostudio van waaruit uitzendingen werden verzorgd, terwijl eiser stelde dat het ging om een ruimte waarin documenten werden bewaard die gevaar opleverden. Desondanks bevestigt de Hoge Raad het oordeel van het hof dat eiser onvoldoende feitelijk heeft toegelicht dat er een causaal verband bestond tussen de inrichting van de ruimte en zijn vertrek uit Sudan. Ook de toepassing van de omkeringsregel faalt omdat niet is komen vast te staan dat het specifieke gevaar zich heeft verwezenlijkt.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eiser in de kosten van het geding.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat FPU niet aansprakelijk is voor schade wegens gevaarzetting.