Uitspraak
wonende te [woonplaats] , België,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
- i) [eiseres] exploiteert een winkel in dameskleding.
- ii) In oktober 2008 is zij door [betrokkene 1] van [B] B.V. (hierna: [B] ) benaderd over de mogelijkheid om in haar winkel een lcd-scherm voor reclamedoeleinden te plaatsen.
- iii) [betrokkene 1] heeft [eiseres] een aanvraag doen toekomen voor een leaseovereenkomst met betrekking tot een lcd-scherm, voor een periode van 60 maanden tegen een prijs van € 119,-- per maand inclusief btw. Als partijen zijn in de overeenkomst vermeld: [eiseres] als lessee en [verweerster] als lessor. In de door [eiseres] ondertekende en aan [verweerster] toegestuurde aanvraag voor de leaseovereenkomst is onder meer vermeld:
- iv) [eiseres] heeft met [B] een ‘overeenkomst voor informaticaprestaties’ gesloten, waarin [B] zich jegens [eiseres] verplicht om tegen een maandelijkse vergoeding van € 49,-- te zorgen voor installatie en onderhoud van het scherm en de overige benodigde apparatuur en het verzorgen van de benodigde opleiding voor de bediening van de apparatuur.
- v) [B] heeft het lcd-scherm aan [verweerster] verkocht en op 22 oktober 2008 bij [eiseres] afgeleverd. De door [eiseres] ondertekende afgiftebevestiging van die datum bevat de mededeling:
- viii) [B] heeft bij brief van 24 november 2008 aan [eiseres] laten weten dat zij [eiseres] houdt aan de afgesloten overeenkomst voor informaticaprestaties.
- ix) Omdat [eiseres] , ook na aanmaning, weigerachtig is gebleven om de in de leaseovereenkomst vermelde maandtermijnen te betalen, heeft [verweerster] bij brief van 14 oktober 2009 aan (de gemachtigde van) [eiseres] meegedeeld dat de leaseovereenkomst buitengerechtelijk wordt ontbonden.
- x) [eiseres] heeft het lcd-scherm op 21 augustus 2012 aan [verweerster] geretourneerd.
[eiseres] heeft immers gesteld dat haar aanbod een duidelijke termijn voor aanvaarding bevatte en dat de tekst van dat aanbod door [verweerster] zelf in haar modelcontracten was geformuleerd. Indien het hof niet van belang heeft geacht of [verweerster] , gelet op die omstandigheden, wist of behoorde te weten dat haar aanvaarding te laat was, heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting (zie hiervoor in 3.3.2). Indien het oordeel van het hof niet aldus moet worden verstaan, is in het licht van de genoemde stellingen onbegrijpelijk zijn oordeel dat [verweerster] niet wist of behoorde te weten dat haar aanvaarding te laat was.
Dan zal in het licht van de omstandigheden van het geval geheel opnieuw beoordeeld moeten worden of en in hoeverre is voldaan aan de maatstaven van art. 6:212 BW Pro.
4.Beslissing
27 mei 2016.