Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 27 maart 2015, waarin het hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant werd behandeld. Het geschil betrof de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2006.
De Hoge Raad beoordeelde de klachten van belanghebbende en concludeerde dat deze niet tot cassatie konden leiden. Omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen, werd geen nadere motivering gegeven.
De Staatssecretaris van Financiën had voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld, maar dit verviel omdat het principale beroep niet tot vernietiging van het hof vonnis leidde. De Hoge Raad achtte geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uiteindelijk verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie ongegrond en sprak het arrest uit op 22 januari 2016, gewezen door de vice-president en raadsheren van de kamer.