Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
17 mei 2016.
Hoge Raad
In deze strafzaak is het beroep in cassatie gericht tegen de strafoplegging. De verdediging stelde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, omdat meer dan zestien maanden waren verstreken tussen het instellen van het cassatieberoep en de uitspraak van de Hoge Raad.
Het Hof had dit verweer niet inhoudelijk behandeld en gaf geen specifieke motivering voor het afwijken van dit standpunt, wat in strijd is met artikel 359 Sv Pro en leidt tot nietigheid van het arrest. De Hoge Raad oordeelt dat de redelijke termijn inderdaad is overschreden en besluit daarom om de zaak zelf af te doen.
De Hoge Raad vermindert de opgelegde gevangenisstraf van twaalf jaren naar elf jaren en acht maanden vanwege deze termijnoverschrijding. Hiermee wordt het beginsel van een redelijke termijn in strafzaken gewaarborgd en wordt de verdachte tegemoetgekomen.
De uitspraak bevestigt het belang van een tijdige rechtspraak en de noodzaak voor rechters om duidelijk te motiveren wanneer zij afwijken van verweren over termijnoverschrijding. De Hoge Raad sluit hiermee aan bij eerdere arresten over de redelijke termijn en strafvermindering.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van twaalf jaren naar elf jaren en acht maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.