Uitspraak
1.Geding in cassatie
2 Beoordeling van het eerste middel
3.Slotsom
4.Beslissing
24 juni 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij werd veroordeeld voor het opzettelijk en met voorbedachte raad doden van het slachtoffer door haar met een mes meerdere malen te steken.
Het hof had geoordeeld dat verdachte voldoende gelegenheid had om na te denken over zijn daad, met name tijdens het lopen van de keuken naar het balkon en tijdens het steken zelf, en dat alle toegebrachte letsels hebben bijgedragen aan het overlijden. De verdediging voerde aan dat sprake was van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling en onvoldoende tijd voor beraad.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn motivering omtrent de voorbedachte raad ontoereikend heeft gegeven, mede omdat het hof enerzijds stelde dat verdachte tijd had om na te denken, maar anderzijds constateerde dat alle letsels hebben bijgedragen aan het overlijden, wat wijst op een langere tijdsduur van het steken. De Hoge Raad benadrukt dat aan de vaststelling van voorbedachte raad strenge eisen moeten worden gesteld en dat de motivering nader moet worden toegelicht.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling van het hoger beroep op basis van een voldoende gemotiveerd oordeel over de voorbedachte raad.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering over voorbedachte raad en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.