Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
19 april 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 29 december 2014, waarin hij werd veroordeeld voor betrokkenheid bij het vervoer van tassen gevuld met cocaïne. De advocaat van verdachte stelde middelen van cassatie voor, maar de Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad heeft de middelen van cassatie beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot cassatie. Gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering was geen nadere motivering vereist omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest van de Hoge Raad van 19 april 2016 bevestigt daarmee het oordeel van het Gerechtshof Den Haag. Het cassatieberoep is verworpen, waarmee de veroordeling van verdachte blijft staan. De uitspraak werd gedaan door de vice-president van de Hoge Raad en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het Gerechtshof Den Haag bevestigd.