ECLI:NL:HR:2016:81

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 januari 2016
Publicatiedatum
21 januari 2016
Zaaknummer
15/02550
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over terbeschikkingstelling van een auto aan een directeur en de gevolgen voor loonbelasting

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 22 januari 2016 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure betreffende de terbeschikkingstelling van een auto aan de directeur van een onderneming, [A]. De zaak betreft de vraag of de auto, die op naam van de onderneming [X] B.V. stond, ook voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld aan [A] in de zin van artikel 13bis, lid 1, van de Wet op de loonbelasting 1964. De directeur had toegang tot de sleutel van de auto, die in een kluisje op het bedrijfsadres was bewaard, en gebruikte de auto voor zakelijke doeleinden, waaronder het bezoeken van voetbalwedstrijden met zakelijke relaties. Echter, er was geen loonheffing ingehouden of afgedragen voor het gebruik van de auto door [A].

Het Gerechtshof Amsterdam had eerder geoordeeld dat de auto gedurende de jaren 2007 tot en met 2011 aan [A] ter beschikking was gesteld. Dit oordeel werd door de Hoge Raad bevestigd, waarbij werd opgemerkt dat [A] als enig bestuurder van de onderneming zelfstandig kon bepalen of en op welke wijze hij van de auto gebruik maakte. De Hoge Raad oordeelde dat er geen sprake was van een terbeschikkingstelling in de zin van de wet, indien [A] de auto slechts mocht besturen ter uitvoering van bepaalde opdrachten van zijn werkgever. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond, en oordeelde dat de overige middelen ook niet tot cassatie konden leiden. De Hoge Raad achtte geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

Deze uitspraak heeft implicaties voor de interpretatie van de terbeschikkingstelling van voertuigen aan werknemers en de bijbehorende fiscale verplichtingen. De uitspraak benadrukt het belang van de feitelijke omstandigheden en de mate van controle die een werknemer heeft over het gebruik van een voertuig.

Uitspraak

22 januari 2016
nr. 15/02550
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 21 mei 2015, nrs. 13/00734 tot en met 13/00738, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. AWB 13/2274 tot en met AWB 13/2278) betreffende de aan belanghebbende over de tijdvakken 2007, 2008, 2009, 2010 en 2011 opgelegde naheffingsaanslagen in de loonbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
In de jaren 2007 tot en met 2011 stond op naam van belanghebbende onder meer een auto van het merk Mercedes, type ML500 (hierna: de auto) geregistreerd. De sleutel van de auto werd bewaard in een kluisje op het bedrijfsadres te [Z].
2.1.2.
Enig bestuurder van belanghebbende is [A] (hierna: [A] ). [A] had uit hoofde van die positie toegang tot het hiervoor bedoelde kluisje. [A] gebruikte de auto ten behoeve van de door belanghebbende ontplooide werkzaamheden, waaronder het bezoeken van voetbalwedstrijden met zakelijke relaties.
2.1.3.
Belanghebbende heeft geen loonheffing ingehouden en afgedragen ter zake van gebruik van de auto door [A] .
2.2.1.
Voor het Hof was onder meer in geschil of belanghebbende de auto gedurende de jaren 2007 tot en met 2011 aan [A] ook voor privédoeleinden ter beschikking heeft gesteld in de zin van artikel 13bis, lid 1, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964).
2.2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat de auto gedurende de onderhavige jaren aan [A] ter beschikking is gesteld in voormelde zin. Daarvoor heeft het Hof onder meer redengevend geacht dat [A] kon beschikken over de sleutel van het kluisje, zodat hij van de auto gebruik kon maken, en voorts dat hij ook daadwerkelijk van de auto gebruik heeft gemaakt. Tegen voormeld oordeel richten zich het tweede en het derde middel.
2.3.
De middelen falen. In dit geding staat vast dat de auto daadwerkelijk door [A] is gebruikt. Van een terbeschikkingstelling in de zin van artikel 13bis, lid 1, Wet LB 1964 is in zodanig geval geen sprake indien [A] de auto slechts mocht besturen ter uitvoering van bepaalde opdrachten van zijn werkgever om in diens belang personen of goederen te vervoeren (vgl. HR 29 mei 2015, nr. 13/04933, ECLI:NL:HR:2015:1360, BNB 2015/146). Kennelijk is het Hof ervan uitgegaan dat hier niet sprake is van een geval als in dat arrest is bedoeld. In ’s Hofs overwegingen ligt immers besloten het oordeel dat [A] als enig bestuurder van belanghebbende zelfstandig kon bepalen of en op welke wijze hij van de auto gebruik maakte. Daarmee heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
2.4.
De overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2016.