Belanghebbende, een B.V., had een Mercedes ML500 geregistreerd staan op haar naam over de jaren 2007 tot en met 2011. De sleutel van de auto werd bewaard in een kluisje op het bedrijfsadres. De enig bestuurder, [A], had toegang tot dit kluisje en gebruikte de auto voor zakelijke doeleinden, waaronder het bezoeken van voetbalwedstrijden met relaties.
De Belastingdienst legde naheffingsaanslagen loonbelasting/premie volksverzekeringen op omdat belanghebbende geen loonheffing had ingehouden over het privégebruik van de auto door [A]. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat de auto aan [A] ter beschikking was gesteld in de zin van artikel 13bis lid 1 Wet LB 1964, omdat hij zelfstandig kon bepalen of en hoe hij de auto gebruikte.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelde dat wanneer de bestuurder zelfstandig over het gebruik van de auto kan beslissen, sprake is van terbeschikkingstelling. Het hof had terecht geoordeeld dat hier geen sprake was van een situatie waarin de bestuurder de auto slechts gebruikte voor opdrachten van de werkgever. De overige middelen werden eveneens verworpen. De Hoge Raad wees proceskostenveroordeling af en verklaarde het cassatieberoep ongegrond.