ECLI:NL:HR:2016:714

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 april 2016
Publicatiedatum
21 april 2016
Zaaknummer
15/05633
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet betalen griffierecht

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch over een aanslag inkomstenbelasting en heffingsrente over het jaar 2009.

De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende meerdere malen gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht en een termijn gesteld voor betaling. Belanghebbende heeft het griffierecht niet voldaan en ook geen geldige verzoek tot vrijstelling ingediend.

De Hoge Raad oordeelt dat belanghebbende niet tijdig heeft voldaan aan de betaling van het griffierecht en geen geldige gronden heeft aangevoerd voor de termijnoverschrijding. Daarom wordt het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard.

Er worden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2016.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.

Uitspraak

22 april 2016
Nr. 15/05633
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof ’s-Hertogenboschvan 23 oktober 2015, nr. 14/00001, betreffende een aan belanghebbende voor het jaar 2009 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 13 januari 2016, die volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres, gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling een termijn van vier weken gesteld. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 15 februari 2016 in de gelegenheid gesteld de redenen voor de termijnoverschrijding mee te delen. Belanghebbende deelt mee naar aanleiding van het eerste verzoek tot betaling van het verschuldigde griffierecht een handgeschreven brief te hebben ingezonden met daarin een verzoek tot vrijstelling van het betalen van griffierecht. Een dergelijke brief is niet ter griffie van de Hoge Raad noch bij het Landelijke Diensten Centrum voor de Rechtspraak te Utrecht ingekomen. Gelet hierop heeft belanghebbende niet voor het einde van de gestelde betalingstermijn aan de griffier kenbaar gemaakt dat hij voldoet aan het criterium voor betalingsonmacht zoals weergegeven in onderdeel 2.3.3 van het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 2015, nr. 14/05176, ECLI:NL:HR:2015:354, BNB 2015/197.
Hetgeen belanghebbende in zijn brief van 10 maart 2016 voor het overige aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
Het beroep in cassatie moet op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2016.