Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.De conclusie van de Advocaat-Generaal
4.Beoordeling van de aanvraag
5.Beslissing
5 april 2016.
Hoge Raad
De aanvrager werd in 2000 door de Politierechter veroordeeld wegens het opzettelijk verstrekken van onjuiste gegevens aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) in de periode 1993-1996, waarbij hij minder uren had opgegeven dan daadwerkelijk gewerkt.
De aanvraag tot herziening berustte op nieuwe gegevens, waaronder een rapport van de Nationale ombudsman over ZZP-ers, een advies van de Bezwaaradviescommissie ZZP en een besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie om justitiële gegevens te verwijderen. De aanvrager stelde dat deze gegevens het vermoeden wekten dat bij bekendheid het onderzoek tot vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging had geleid.
De Hoge Raad oordeelde dat het rapport niet op de relevante periode betrekking had en dat de beleidsbeslissingen van het UWV en de Minister normatieve oordelen zijn die geen nieuwe feiten of omstandigheden bevatten. Daarom kon geen nieuw gegeven als bedoeld in artikel 457 Sv Pro worden aangenomen.
De Hoge Raad wees de aanvraag tot herziening af en bevestigde daarmee de onherroepelijke veroordeling van de aanvrager.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af en bevestigt de veroordeling wegens uitkeringsfraude.