Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.De conclusie van de Advocaat-Generaal
4.Beoordeling van de aanvraag
5.Slotsom
6.Beslissing
22 maart 2016.
Hoge Raad
De aanvrager werd door de Kantonrechter veroordeeld wegens het rijden zonder geldig rijbewijs op 29 november 2006. Hij stelde echter dat hij wel degelijk over een geldig rijbewijs beschikte ten tijde van de overtreding. Ter ondersteuning van dit standpunt werd een brief van de Divisie Registratie en Informatie overgelegd, waaruit bleek dat aanvrager op 6 januari 1999 een rijbewijs categorie B was afgegeven.
De Hoge Raad overwoog dat dit nieuwe gegeven, dat bij de eerdere terechtzitting niet bekend was, het ernstige vermoeden wekt dat de Kantonrechter bij kennis hiervan de aanvrager zou hebben vrijgesproken. Dit vormt een grond voor herziening op grond van artikel 457, eerste lid, aanhef en onder c, Sv.
De Advocaat-Generaal had geconcludeerd dat de aanvraag ongegrond zou zijn, maar de Hoge Raad oordeelde anders. De Hoge Raad verklaarde de aanvraag tot herziening gegrond, beval opschorting van de tenuitvoerlegging van het vonnis en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor hernieuwde berechting en beslissing.
Hiermee is de eerdere veroordeling wegens het rijden zonder geldig rijbewijs niet langer van kracht en wordt de zaak opnieuw beoordeeld met inachtneming van het nieuwe bewijs.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening gegrond en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof voor hernieuwde berechting.