Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
22 maart 2016.
Hoge Raad
De verdachte stelde binnen drie maanden beroep in cassatie in tegen een vonnis van de kantonrechter van de Rechtbank Almelo. Het geschil betrof een overtreding van een gemeentelijke verordening zonder oplegging van straf of maatregel. De Hoge Raad beoordeelde dat het proces-verbaal van de terechtzitting, zoals voorgeschreven in art. 395, tweede lid, Sv, niet was opgemaakt, terwijl dit wel verplicht was omdat het vonnis geen vonnis betrof als bedoeld in art. 410a, eerste lid, Sv.
De kantonrechter had volstaan met een gewaarmerkte aantekening (stempelvonnis) zoals bedoeld in art. 395a, eerste lid, Sv, maar dat was onjuist. Het ontbreken van het proces-verbaal leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en van de uitspraak. De Hoge Raad vernietigde daarom het vonnis en verwees de zaak terug naar de Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, sector Kanton, voor hernieuwde berechting op de bestaande dagvaarding.
De uitspraak benadrukt het belang van een correcte procesorde en de noodzaak van het opmaken van het proces-verbaal van de terechtzitting bij vonnissen van de kantonrechter die niet onder de uitzonderingen van art. 410a, eerste lid, Sv vallen. Dit arrest bevestigt dat het verzuim van deze procedurele verplichting leidt tot nietigheid en dat de Hoge Raad hierop streng toeziet.
Uitkomst: Het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd wegens het ontbreken van het proces-verbaal van de terechtzitting en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.