Belanghebbende stelde zich in hoger beroep en vervolgens in cassatie op het standpunt dat het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod uit het EVRM en IVBPR meebrengen dat ook hij recht heeft op de belastingvrijstelling die aan bepaalde leden van het Koninklijk Huis is toegekend. Het Hof van ’s-Hertogenbosch verwierp dit beroep en bevestigde de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2011.
In cassatie heeft de Hoge Raad de klachten van belanghebbende onderzocht, mede aan de hand van de conclusie van de Advocaat-Generaal, die het beroep ongegrond achtte. De Hoge Raad oordeelde dat het beroep op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie niet relevant is omdat de zaak niet ziet op de toepassing van Unierecht.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en bevestigde daarmee het oordeel van het Hof. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd. Hiermee blijft de belastingaanslag onverminderd van kracht.