ECLI:NL:HR:2016:371

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 maart 2016
Publicatiedatum
3 maart 2016
Zaaknummer
15/02943
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak rechtbank over immateriële schadevergoeding bij belastinggeschil

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland betreffende een verzetprocedure over een belastingaanslag op personenauto’s en motorrijwielen. Het geschil betrof met name de vraag of een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voorafgaand aan de sluiting van het onderzoek had moeten worden gedaan, of ook in de verzetprocedure kon worden ingediend.

De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het verzoek alleen voorafgaand aan de sluiting van het onderzoek kon worden gedaan. Deze klacht werd gegrond verklaard op basis van een eerder arrest in een vergelijkbare zaak. De klacht over de ontvankelijkheid van het beroep werd niet behandeld omdat deze geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte.

De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover daarin geen beslissing was genomen op het verzoek om immateriële schadevergoeding en verwees de zaak naar de Rechtbank Zeeland-West-Brabant voor verdere behandeling. Daarnaast werd de Staatssecretaris van Financiën veroordeeld in de proceskosten van het cassatiegeding en werd het betaalde griffierecht aan belanghebbende vergoed.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak verwezen voor behandeling van het verzoek om immateriële schadevergoeding.

Uitspraak

4 maart 2016
Nr. 15/02943
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Gelderlandvan 2 juni 2015, nr. AWB 12/3252, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

2.1.
De eerste en de tweede klacht betogen onder meer dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat belanghebbende zijn verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn had moeten doen voorafgaand aan de in artikel 8:54, lid 1, Awb bedoelde sluiting van het onderzoek, en dat de Rechtbank heeft miskend dat een dergelijk verzoek ook voor het eerst in de verzetprocedure kan worden gedaan.
De klachten slagen in zoverre op de gronden die zijn vermeld in het heden in de zaak met nummer 15/02922 tussen dezelfde partijen uitgesproken arrest van de Hoge Raad.
2.2.
De derde klacht, die zich richt tegen het oordeel van de Rechtbank omtrent de ontvankelijkheid van het beroep, kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (zie HR 18 december 2015, nr. 14/04118, ECLI:NL:HR:2015:3465, V-N 2016/2.9).
2.3.
Gelet op het hiervoor in 2.1 overwogene kan de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. De eerste en de tweede klacht behoeven voor het overige geen behandeling.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 15/02922 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, voor zover daarin ontbreekt een beslissing op het verzoek om immateriële schadevergoeding,
verwijst het geding voor de behandeling van dat verzoek naar de Rechtbank Zeeland-West-Brabant,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 248, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 1984, derhalve € 992, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2016.