In deze zaak ging het om navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2008 en 2009 die aan belanghebbende waren opgelegd. Belanghebbende en haar echtgenoot waren fiscale partners. De echtgenoot had geen aangifte gedaan en kreeg ambtshalve aanslagen opgelegd waartegen hij bezwaar maakte. Belanghebbende deed aangifte met een belastbaar inkomen van nihil en ontkende dat haar echtgenoot een hoger inkomen had.
Desondanks kende de Inspecteur belanghebbende heffingskortingen toe op basis van de ambtshalve aanslagen van de echtgenoot, zonder rekening te houden met het bezwaar van die echtgenoot. Het hof oordeelde dat de Inspecteur ambtelijk verzuim had begaan door geen onderzoek te doen naar het inkomen van de echtgenoot alvorens de heffingskorting toe te kennen, waardoor navordering niet mogelijk was.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verklaarde het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het arrest benadrukt het belang van zorgvuldig onderzoek door de Inspecteur bij het toekennen van heffingskortingen binnen fiscale partnerschapssituaties.