ECLI:NL:HR:2016:3431

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 december 2016
Publicatiedatum
8 maart 2017
Zaaknummer
16/02566
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 359 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens onvoldoende belang en onvoldoende gemotiveerd strafmaatverweer

De verdachte heeft cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 25 september 2015. Het beroep richt zich met name op het oordeel van het hof over het strafmaatverweer, waarbij de verdediging medische omstandigheden aanvoerde die volgens hen onvoldoende in de strafmotivering waren betrokken.

De verdediging stelde dat het hof geen rekening had gehouden met de detentieongeschiktheid van de verdachte en zijn verblijf in een justitieel centrum voor somatische zorg. Volgens de verdediging was de strafmotivering onvoldoende omdat het hof deze omstandigheden niet benoemde en het gebruik van de term "alles overwegende" geen deugdelijke motivering vormde.

De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de verdachte onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie.

Het arrest is gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter en de raadsheren Buruma en Van den Brink, en uitgesproken op 20 december 2016.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en onvoldoende gemotiveerd strafmaatverweer.

Uitspraak

20 december 2016
Strafkamer
nr. S 16/02566
SSA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 25 september 2015, nummer 22/000392-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R. Tetteroo, advocaat te Schiedam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
20 december 2016.
SCHRIFTUUR: houdende middelen van cassatie in de zaak van:
[verdachte], verzoeker tot cassatie van een hem betreffend arrest van het gerechtshof te Den Haag d.d. 25 september 2015.
Middel 1
Het recht is geschonden en/of vormen zijn verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt.
In het bijzonder is artikel 359 Wetboek Pro van Strafvordering geschonden aangezien het gerechtshof het gevoerde strafmaatverweer onvoldoende met redenen bekleed heeft verworpen.
Toelichting:
De zaak van verzoeker is ter zitting d.d. 11 september 2015 behandeld. Namens de verdediging zijn ten aanzien van de bewezenverklaring en de stafbaarheid geen verweren gevoerd. Door de verdediging zijn wel strafmaatverweren gevoerd. De verweren staan kort en zakelijk omschreven in het proces-verbaal van de terechtzitting.
Door de verdediging is tevens ter zitting een aantal stukken overgelegd. Het betroffen medische stukken. Onder andere een brief van de huisarts die aangaf dat verzoeker niet detentiegeschikt was. Tevens is, zoals ook uit het proces-verbaal van de zitting blijkt, aangevoerd dat cliënt, gelet op zijn medische situatie, niet in een normale PI kon verblijven en al geruime tijd in het Justitieel Centrum voor Somantische zorg verbleef. Ter zitting is aangegeven dat verzoeker detentieongeschikt en in ieder geval niet in een "normale" PI kon verblijven".
Verzoeker stelt dat het gerechtshof in het geheel geen rekening heeft gehouden met voornoemde omstandigheden, althans uit het arrest en de strafmotivering blijkt niet dat met de aangevoerde omstandigheden rekening is gehouden.
In de strafmotivering worden de door verzoeker genoemde omstandigheden in het geheel niet benoemd. Het gerechtshof heeft immers in het arrest met geen enkel woord gerept over de medische gesteldheid van verzoeker en de gevoerde verweren. Verzoeker stelt dat het bezigen van de term "alles overwegende" zoals het hof op pagina 4 derde alinea heeft gedaan, niet gezien kan worden als een met redenen omkleedde verwijzing naar de namens verzoeker gevoerde verweren.
Verzoeker stelt dat derhalve de strafmotivering onvoldoende met redenen is omkleed.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt