Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
20 december 2016.
Hoge Raad
In deze zaak heeft klaagster een klaagschrift ingediend tegen het conservatoir derdenbeslag op haar bankrekening, gelegd op grond van artikel 94a Wetboek van Strafvordering. De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het klaagschrift ongegrond, omdat klaagster onvoldoende materieel belang zou hebben bij opheffing van het beslag en het civielrechtelijk beslag vermoedelijk ook op de gelden rust.
Klaagster stelde dat het beslag onrechtmatig was en dat opheffing nodig was om hypotheeklasten te kunnen betalen en in de woning te blijven wonen. De officier van justitie betwistte het belang van klaagster en stelde dat het belang van de Staat zwaarder weegt.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank niet de juiste maatstaf had toegepast, namelijk of buiten redelijke twijfel vaststaat dat klaagster eigenaar is van de inbeslaggenomen gelden en of de uitzonderingen van artikel 94a lid 3 of 4 Sv zich voordoen. Omdat deze maatstaf niet was toegepast, vernietigde de Hoge Raad de beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor herbehandeling van het klaagschrift.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug voor herbehandeling van het klaagschrift.