Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
20 december 2016.
Hoge Raad
In deze cassatiezaak stond de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, dat door het hof was vastgesteld op € 9.023,-. De betrokkene was veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan de Staat. Het hof had slechts een derde deel van de aan de benadeelde partij toegekende schadevergoeding in mindering gebracht en geen rekening gehouden met de wettelijke rente.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof abusievelijk slechts een derde deel van de vordering in mindering had gebracht en dat ook de wettelijke rente in mindering had moeten worden gebracht. Omdat de rente niet concreet kon worden vastgesteld, bleef dit onderdeel buiten beschouwing. De Hoge Raad paste de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan en verminderde het bedrag tot circa € 4.499,-.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor zover het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting betroffen en verwierp het beroep voor het overige. Hiermee werd de betalingsverplichting van de betrokkene aan de Staat aanzienlijk verminderd.
De uitspraak bevestigt het belang van een correcte toepassing van art. 36e lid 9 Sr bij de berekening van ontnemingsbedragen, met inachtneming van onherroepelijke vorderingen en wettelijke rente ten gunste van benadeelde derden.
Tenslotte werd opgemerkt dat de betrokkene geen belang had bij de klacht over de wettelijke rente, omdat die op dit moment niet concreet kon worden vastgesteld en de rechter de mogelijkheid heeft het ontnemingsbedrag op verzoek te verminderen.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting tot circa € 4.499,- en vernietigt het hofarrest voor zover dit bedrag betreft.