Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2016:2923

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 december 2016
Publicatiedatum
20 december 2016
Zaaknummer
15/04266
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:106 BWArt. 335 SvArt. 361 SvArt. 415 SvArt. 421 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens ontbreken gemotiveerde beslissing over schadevergoeding benadeelde partij

De Hoge Raad heeft op 20 december 2016 arrest gewezen in een cassatieprocedure tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 1 september 2015. De zaak betreft een verdachte die tussen 29 september en 9 december 2010 te Amsterdam wederrechtelijk een bedrag van 3.000 euro heeft weggenomen van een bankrekening van de benadeelde partij door gebruik van een valse sleutel.

De benadeelde partij had zich als zodanig in het strafproces gevoegd en een schadevergoeding gevorderd van 15.900 euro aan materiële schade en 2.500 euro aan immateriële schade. De rechtbank kende een schadevergoeding toe van 3.500 euro, waarvan 3.000 euro materieel en 500 euro immaterieel. Het hof had echter nagelaten een met redenen omklede beslissing te nemen over de vordering van de benadeelde partij, hetgeen een vereiste is op grond van artikel 335, 361 en 415 Sv in verbinding met eerdere jurisprudentie.

De Hoge Raad oordeelde dat het ontbreken van een gemotiveerde beslissing over de schadevergoeding een formeel gebrek vormt waardoor het arrest niet in stand kan blijven. Daarnaast wees de Hoge Raad op het toepasselijke artikel 6:106 BW Pro inzake immateriële schadevergoeding. De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor zover het betreft de beslissing over de schadevergoeding en de daaraan verbonden maatregel en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beslissing. Het beroep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens het ontbreken van een gemotiveerde beslissing over de schadevergoeding aan de benadeelde partij en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

Uitspraak

20 december 2016
Strafkamer
nr. S 15/04266
AGE/LBS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 1 september 2015, nummer 23/000525-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R. Hörchner, advocaat te Breda, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het Hof een schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd, tot terugwijzing van de zaak naar het Hof opdat het opnieuw beslisse op de vordering van de benadeelde partij, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste, het tweede en het vierde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

3.1.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
"in de periode van 29 september tot en met 9 december 2010 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, betaald middels internetbankieren vanaf bankrekeningnummer [001] bij de ING Bank, een geldbedrag van 3.000,- euro, toebehorende aan [betrokkene 1], waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel."
3.2.
Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een 'Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces' waarmee [betrokkene 1] zich als benadeelde partij in het strafgeding heeft gevoegd. Dit voegingsformulier houdt onder meer in:
"onrechtmatige afboekingen van de rekening van belanghebbende € 15.900,-
immateriële schade € 2.500,-."
Daarvan is door de rechter in eerste aanleg € 3.500,- toegewezen waarvan € 3.000,- ter zake van materiële schade en € 500,- ter zake van immateriële schade.
3.3.
Op de voet van art. 421, tweede lid, Sv duurt de voeging die in eerste aanleg heeft plaatsgehad, van rechtswege voort in hoger beroep voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen. Ingevolge de art. 335 en Pro 361, vierde lid, in verbinding met art. 415 Sv Pro was het Hof gehouden omtrent de vordering van de benadeelde partij een met redenen omklede beslissing te nemen (vgl. HR 10 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT1812). De bestreden uitspraak ontbeert een dergelijke beslissing en kan daarom in zoverre niet in stand blijven.
3.4.
Daarbij verdient nog opmerking dat art. 6:106, eerste lid, BW - voor zover hier van belang - luidt:
"Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast."

4.Slotsom

Nu de Hoge Raad geen andere dan de onder 3 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het derde middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover daarbij geen beslissing is genomen op de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] alsmede wat betreft de ten behoeve van haar aan de verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregel;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
20 december 2016.