Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
20 december 2016.
Hoge Raad
De betrokkene stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 januari 2016, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel was toegewezen. Het cassatieberoep richtte zich op de beoordeling van de ontvankelijkheid en de toepassing van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad heeft het beroep inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de betrokkene onvoldoende belang bij het cassatieberoep heeft of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Tevens is het standpunt van de Procureur-Generaal gehoord.
Op grond van artikel 80a RO heeft de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat het cassatieberoep niet wordt behandeld en de uitspraak van het gerechtshof in stand blijft. Het arrest is uitgesproken tijdens de openbare terechtzitting op 20 december 2016 door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het arrest van het gerechtshof blijft in stand.