Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
1 juni 2021.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde een verzoek tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de rechtbank Midden-Nederland uit 2014, waarin de aanvraagster was veroordeeld voor meermalen medeplegen van valsheid in geschrift, onjuiste belastingaangiften, het nalaten van tijdige gegevensverstrekking en gewoontewitwassen.
De aanvraag tot herziening berustte op de stelling dat sprake was van een nieuw gegeven als bedoeld in art. 457 lid 1 sub c Sv Pro, namelijk dat het Openbaar Ministerie (OM) door bedrog een veroordeling had weten uit te lokken. De aanvraagster stelde dat de procedure een politiek showproces was geweest en dat er sprake was van belangenverstrengeling en bedrog.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde feiten en omstandigheden onvoldoende aannemelijk maakten dat sprake was van een nieuw gegeven dat het ernstige vermoeden wekte dat de veroordeling onterecht was. Ook verwees de Hoge Raad naar het onderscheid tussen de ontnemingsprocedure en de strafzaak, waarbij de ontnemingsuitspraak niet rechtstreeks van belang is voor de bewijsvoering in de strafzaak.
Verder werd benadrukt dat een onjuiste toepassing van het recht geen grond tot herziening kan vormen. Gezien het ontbreken van een nieuw ernstig vermoeden verklaarde de Hoge Raad de aanvraag kennelijk ongegrond en wees het verzoek tot herziening af.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af wegens het ontbreken van een nieuw ernstig vermoeden.