ECLI:NL:HR:2016:2739

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 december 2016
Publicatiedatum
1 december 2016
Zaaknummer
16/01718
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:73 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet betalen griffierecht en afwijzing vergoeding immateriële schade

Belanghebbende stelde beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland die zijn beroepschrift niet-ontvankelijk verklaarde omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Tevens verzocht belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De Hoge Raad beoordeelde twee middelen: het eerste middel betrof de vraag of de Rechtbank had moeten onderzoeken of belanghebbende niet in verzuim was met het betalen van het griffierecht. De Hoge Raad oordeelde dat de Rechtbank dit onderzoek voldoende had verricht en dat het middel faalde.

Het tweede middel betrof het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad bevestigde dat de Rechtbank terecht geen uitspraak deed over dit verzoek omdat het beroep niet-ontvankelijk was verklaard en de termijnoverschrijding niet aan de rechterlijke procedure kon worden toegerekend.

De Hoge Raad wees ook op een uitzondering waarbij een vergoeding wel toegekend moet worden, maar deze situatie deed zich niet voor. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het beroep bij de Rechtbank blijft niet-ontvankelijk wegens niet tijdig betalen van griffierecht.

Uitspraak

2 december 2016
Nr. 16/01718
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Gelderlandvan 23 februari 2016, nr. AWB 15/2809, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld en daarbij twee middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
Het door belanghebbende bij de Rechtbank ingestelde beroep is niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het verschuldigde griffierecht niet is betaald binnen de daartoe gestelde termijn. Belanghebbende heeft zowel in het beroepschrift als in het verzetschrift verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
2.2.1.
Middel I houdt in dat de Rechtbank ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende ter zake van het niet (tijdig) betalen van het griffierecht in verzuim is geweest.
2.2.2.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat, aangezien belanghebbende in zijn beroepschrift en zijn verzetschrift geen beroep heeft gedaan op betalingsonmacht, er geen reden is om aan te nemen dat het niet betalen van het griffierecht om die reden verschoonbaar is. In zoverre heeft de Rechtbank het hiervoor in 2.2.1 bedoelde onderzoek verricht en berust het middel op een onjuiste lezing van de bestreden uitspraak op verzet en faalt het daarom.
Voor zover het middel wil betogen dat de Rechtbank ambtshalve had dienen te onderzoeken of er mogelijk nog andere redenen zijn op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende ter zake van het niet (tijdig) betalen van het griffierecht in verzuim is geweest, faalt het eveneens. Aangezien uit de uitspraak van de Rechtbank en de stukken van het geding niet blijkt dat belanghebbende iets heeft aangevoerd dat een dergelijk oordeel zou kunnen dragen, was de Rechtbank niet gehouden een (nader) onderzoek in te stellen.
2.3.1.
Middel II strekt ten betoge dat de Rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op het door belanghebbende gedane verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
2.3.2.
Kennelijk heeft de Rechtbank tot uitgangspunt genomen dat de niet-ontvankelijkverklaring van belanghebbende in zijn beroep vanwege het niet betalen van griffierecht meebrengt dat ook geen uitspraak meer behoeft te worden gedaan ten aanzien van het in het middel bedoelde verzoek van belanghebbende om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn op de voet van artikel 8:73 Awb Pro (tekst tot 1 juli 2013; hierna: artikel 8:73 Awb Pro). Dat uitgangspunt is in zijn algemeenheid juist.
Dat is slechts anders in het – zich in deze zaak niet voordoende - geval waarin de rechtbank uitspraak doet nadat sinds het instellen van het beroep meer dan anderhalf jaar zijn verstreken (zie HR 4 maart 2016, nr. 15/02922, ECLI:NL:HR:2016:352, BNB 2016/141). Indien de rechtbank op de voet van artikel 8:54 Awb Pro na vereenvoudigde behandeling uitspraak heeft gedaan en daartegen verzet is gedaan als bedoeld in artikel 8:55 Awb Pro, eindigt deze termijn met de uitspraak waarbij het verzet ongegrond is verklaard.
2.3.3.
In het hiervoor in 2.3.2, laatste alinea, bedoelde uitzonderingsgeval zal de rechtbank een beslissing moeten nemen op het verzoek om vergoeding van immateriële schade. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat de redelijke termijn is overschreden indien meer dan twee jaren zijn verstreken sinds de ontvangst van het bezwaarschrift door de inspecteur. De vergoeding zal in dat geval alleen toegekend kunnen worden voor immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn voor zover toe te rekenen aan de procedure voor de rechtbank. De niet-ontvankelijkverklaring van de belanghebbende in diens beroep brengt mee dat het optreden van het bestuursorgaan in zoverre niet meer aan het oordeel van de rechter is onderworpen.
2.3.4.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.2 is overwogen, faalt middel II eveneens.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2016.