ECLI:NL:HR:2016:2677

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 november 2016
Publicatiedatum
24 november 2016
Zaaknummer
16/03350
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wet werk en bijstandArt. 80 Wet werk en bijstand
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake Wet werk en bijstand

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 september 2010, betreffende een besluit van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen op grond van de Wet werk en bijstand.

De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep niet was ingesteld wegens schending of verkeerde toepassing van de relevante bepalingen van artikel 3, tweede tot en met vijfde lid, van de Wet werk en bijstand, zoals vereist volgens artikel 80 van Pro die wet. Hierdoor konden de klachten niet tot cassatie leiden.

De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd uitgesproken door raadsheren C. Schaap, Th. Groeneveld en J. Wortel op 25 november 2016.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard wegens niet-ontvankelijkheid van de klachten.

Uitspraak

25 november 2016
Nr. 16/03350
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Centrale Raad van Beroepvan 28 september 2010, nr. 09/1631 WWB, betreffende een besluit van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen ingevolge de Wet werk en bijstand.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.

2.Beoordeling van de klachten

Ingevolge artikel 80 van Pro de Wet werk en bijstand kan beroep in cassatie worden ingesteld tegen uitspraken van de Centrale Raad ter zake van schending of verkeerde toepassing van artikel 3, tweede tot en met vijfde lid, en de daarop berustende bepalingen.
Het onderhavige cassatieberoep is echter niet ingesteld ter zake van schending of verkeerde toepassing van voormelde bepalingen. De klachten kunnen derhalve niet tot cassatie leiden.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2016.