ECLI:NL:HR:2016:2633

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 november 2016
Publicatiedatum
17 november 2016
Zaaknummer
15/04986
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding in vennootschapsbelastingzaak

Belanghebbende, een besloten vennootschap, had beroep ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting over 1997, inclusief boete en heffingsrente. Het hof had het hoger beroep van belanghebbende afgewezen, inclusief het verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

In cassatie stelde belanghebbende vier middelen voor, waarvan de Hoge Raad de eerste drie verwierp omdat deze niet tot cassatie konden leiden. Het vierde middel slaagde echter op grond van een eerder arrest in een soortgelijke zaak tussen dezelfde partijen.

De Hoge Raad vernietigde daarom het hofarrest voor zover het ging om de beslissing op het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding en verwees die kwestie terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling.

Daarnaast veroordeelde de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën tot vergoeding van het betaalde griffierecht en tot betaling van proceskosten voor de zijde van belanghebbende. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 18 november 2016 door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding en verwijst zaak terug voor verdere behandeling.

Uitspraak

18 november 2016
Nr. 15/04986
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof 's-Hertogenboschvan 17 september 2015, nr. 10/00878, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 06/5802) betreffende de aan belanghebbende over het jaar 1997 opgelegde navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij vier middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
De middelen 1, 2 en 3 kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.2.
Middel 4 slaagt op de gronden die zijn vermeld in het heden in de zaak met nummer 15/04983 tussen dezelfde partijen uitgesproken arrest van de Hoge Raad.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met de nummers 15/04909, 15/04910, 15/04983 tot en met 15/04985 en 15/04992 met de onderhavige zaak samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, voor zover het betreft de beslissing op het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn,
verwijst het geding voor de behandeling van dat verzoek naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 497, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een zevende van € 1488, derhalve € 212,58, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2016.