ECLI:NL:HR:2016:2602

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 november 2016
Publicatiedatum
16 november 2016
Zaaknummer
14/01452
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 BTW-richtlijn 2006Art. 9 BTW-richtlijn 2006Art. 4 Wet OBArt. 7 Wet OBArt. 3 Wet op het BTW-compensatiefonds
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen ondernemersstatus gemeente voor leerlingenvervoer en geen recht op BTW-compensatiefondsbijdrage

Belanghebbende, de gemeente Montferland, voerde in hoger beroep en cassatie aan dat zij als ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 moet worden aangemerkt voor het organiseren van leerlingenvervoer. Dit zou recht geven op een bijdrage uit het BTW-compensatiefonds.

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat het organiseren van leerlingenvervoer door de gemeente geen economische activiteit is, zodat de gemeente geen ondernemer is voor de omzetbelasting. Dit oordeel werd bevestigd door de Hoge Raad, die daarbij ook het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 2016 (Gemeente Borsele) betrok.

De Hoge Raad verwierp de cassatiemiddelen van belanghebbende en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Hiermee blijft de uitspraak van het hof ongewijzigd dat geen recht bestaat op een bijdrage uit het BTW-compensatiefonds voor de gemeente over de jaren 2007 en 2008.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt dat de gemeente geen ondernemer is voor het leerlingenvervoer en geen recht heeft op een bijdrage uit het BTW-compensatiefonds.

Uitspraak

18 november 2016
nr. 14/01452
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de
gemeente Montferlandte
Didam(hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 4 februari 2014, nrs. 12/00111 en 12/00112, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Arnhem (nrs. AWB 10/365 en AWB 11/5109) betreffende een aan belanghebbende over de periode 1 januari 2007 tot en met 31 december 2008 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting en een beschikking inzake een bijdrage uit het BTW-compensatiefonds. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd op het arrest van 12 mei 2016, gemeente Borsele, C-520/14, van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ECLI:EU:C:2016:334, BNB 2016/186.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
Uit het hiervoor onder 1 vermelde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat de middelen 1 en 2, die zijn gericht tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbende voor het leerlingenvervoer niet als ondernemer in de zin van artikel 7 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968 kan worden aangemerkt, falen.
2.2.
Middel 3 faalt op de gronden die zijn vermeld in onderdeel 3 van het heden in de zaak met nummer 12/02683 uitgesproken arrest van de Hoge Raad, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, de vice-president R.J. Koopman, en de raadsheren D.G. van Vliet, E.N. Punt en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2016.