Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2016:257

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 februari 2016
Publicatiedatum
18 februari 2016
Zaaknummer
14/06198
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2002

De erfgenaam van A.Z. heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 12 november 2014, waarin het hoger beroep tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag werd behandeld. De zaak betrof de voorlopige aanslag en aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2002 en een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De Hoge Raad ontving het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën en een conclusie van repliek van belanghebbende. Na het verstrijken van de cassatietermijn diende belanghebbende nog een geschrift in, maar de Hoge Raad wees dit af omdat de wet dit niet toestaat.

De klachten van belanghebbende konden niet leiden tot cassatie, mede omdat deze niet leidden tot rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Er werden geen proceskosten toegewezen. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en sprak het arrest uit op 19 februari 2016.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

19 februari 2016
Nr. 14/06198
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de erfgenaam van [A]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 12 november 2014, nr. BK‑13/01769, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. AWB 07/2658) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2002 opgelegde voorlopige aanslag en aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Na het verstrijken van de cassatietermijn heeft belanghebbende nog een geschrift ingediend. Daartoe biedt de wet evenwel niet de mogelijkheid. De Hoge Raad slaat op dat stuk daarom geen acht.

2.Beoordeling van de klachten

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice‑president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2016.