ECLI:NL:HR:2016:2416

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 oktober 2016
Publicatiedatum
25 oktober 2016
Zaaknummer
15/03723
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 197 SrArt. 61 Vreemdelingenwet 2000Art. 62 Vreemdelingenwet 2000Art. 67 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt ontslag van rechtsvervolging wegens onvoldoende motivering in vreemdelingenzaak

De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte, een ongewenst verklaarde vreemdeling, was ontslagen van alle rechtsvervolging wegens het niet naleven van de vertrekverplichting uit Nederland.

Het hof oordeelde dat verdachte buiten zijn schuld niet aan de vertrekverplichting kon voldoen, mede gelet op de mislukte uitzettingspoging naar Somalië en het ontbreken van reisdocumenten. Het hof stelde vast dat verdachte geen verzet had geboden tegen uitzetting en dat de Nederlandse autoriteiten tevergeefs hadden geprobeerd een laisser passer te verkrijgen. Het hof vond het aannemelijk dat terugkeer onmogelijk was en ontsloeg verdachte daarom van rechtsvervolging.

De Hoge Raad herhaalt de relevante rechtspraak dat een vreemdeling verplicht is Nederland uit eigen beweging te verlaten, tenzij aannemelijk is dat hij daartoe buiten zijn schuld niet in staat is. De Hoge Raad stelt vast dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd of verdachte zelf inspanningen heeft verricht, bijvoorbeeld om reisdocumenten te verkrijgen. Hierdoor is het oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd.

De Hoge Raad vernietigt het ontslag van rechtsvervolging en de strafoplegging voor het betreffende feit en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling en afdoening. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en uitgesproken op 25 oktober 2016.

Uitkomst: Het ontslag van rechtsvervolging wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde beoordeling.

Uitspraak

25 oktober 2016
Strafkamer
nr. S 15/03723
IV/AJ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 13 juli 2015, nummer 21/005619-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft feit 3 en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het tweede middel

2.1.
Het middel richt zich tegen het door het Hof uitgesproken ontslag van alle rechtsvervolging ten aanzien van feit 3.
2.2.1.
Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:
"hij op 26 mei 2014 te Enschede als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 tot, ongewenst vreemdeling was verklaard."
2.2.2.
Het Hof heeft de verdachte ten aanzien van dit feit ontslagen van alle rechtsvervolging en daartoe het volgende overwogen:
"Het beroep op overmacht
Ingevolge artikel 62 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 dient een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf (meer) in Nederland heeft, Nederland uit eigen beweging te verlaten. Uit de Memorie van Toelichting op deze wet blijkt nadrukkelijk van de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling op dit punt. Een ongewenst verklaarde vreemdeling kan alleen dan geen verwijt worden gemaakt van zijn illegale verblijf in Nederland, indien aannemelijk is geworden dat hij buiten zijn schuld geen gehoor kan geven aan de verplichting om te vertrekken.
Het hof stelt vast dat verdachte bij beschikking van 9 december 2011 tot ongewenst vreemdeling is verklaard. Verdachte heeft aanvankelijk geweigerd om mee te werken aan vertrek uit Nederland. Hij is twee keer in vreemdelingenbewaring gesteld. Na de tweede inbewaringstelling hebben de Nederlandse autoriteiten op 1 juni 2013 één poging ondernomen om verdachte daadwerkelijk uit te zetten naar Somalië. Uit het aanvullende proces-verbaal van de verbalisanten die waren belast met de uitzetting van verdachte volgt niet dat hij zich daartegen heeft verzet. Uit navraag bij de Somalische autoriteiten is niet eenduidig gebleken op grond waarvan zij verdachte de toegang tot Somalië hebben geweigerd. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat verdachte op basis van zijn eigen verklaring bij aankomst in Somalië is teruggestuurd.
Na de mislukte poging om verdachte uit te zetten heeft hij in vreemdelingenbewaring verbleven in de periode van 4 juni 2013 tot 27 november 2013. In die periode hebben de Nederlandse autoriteiten tevergeefs geprobeerd een laisser passer voor hem te verkrijgen van de Jemenitische autoriteiten. Verdachte beschikt niet over documenten die nodig zijn om zijn nationaliteit vast te stellen. De conclusie van een taalanalyse wijst er op dat hij niet afkomstig is uit Jemen. De eerste taal van verdachte is mogelijk Somalië. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij uit Somalië komt. De Nederlandse autoriteiten zijn er ook steeds vanuit gegaan dat hij afkomstig is uit Somalië.
Het is niet gebleken dat de Nederlandse autoriteiten enige poging hebben ondernomen om verdachte vrijwillig te laten vertrekken of hem uit te zetten gedurende de periode van vijf maanden tussen de opheffing van de bewaringstelling van verdachte in november 2013 en zijn aanhouding voor de thans bewezenverklaarde feiten in mei 2014.
Het hof acht het op grond van voormelde feiten en omstandigheden aannemelijk dat het voor verdachte onmogelijk is geweest om terug te keren naar zijn land van herkomst. Het is tevens aannemelijk geworden dat hij buiten zijn schuld geen gehoor kan geven aan de verplichting om Nederland te verlaten. Het hof zal verdachte daarom ontslaan van alle rechtsvervolging ter zake van feit 3."
2.3.
Art. 61 Vreemdelingenwet Pro 2000 verplicht de vreemdeling die niet rechtmatig verblijf heeft, Nederland uit eigen beweging te verlaten. Dit betekent dat de vreemdeling die tot ongewenst vreemdeling is verklaard, de rechtsplicht heeft het land te verlaten, terwijl van die verplichting slechts is uitgezonderd de vreemdeling van wie aannemelijk is geworden dat hij buiten zijn schuld niet aan die verplichting kan voldoen (vgl. HR 20 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF8848, NJ 2009/235).
2.4.
In de overweging van het Hof dat de verdachte buiten zijn schuld geen gehoor kan geven aan de verplichting om Nederland te verlaten en dat de verdachte derhalve moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, ligt als zijn oordeel besloten dat de verdachte is uitgezonderd van de rechtsplicht als bedoeld in art. 61 Vreemdelingenwet Pro 2000 om Nederland te verlaten. Gelet op hetgeen onder 2.3 is vooropgesteld en in aanmerking genomen dat het Hof niets heeft vastgesteld omtrent hetgeen de verdachte zelf heeft ondernomen, bijvoorbeeld teneinde in het bezit te komen van reisdocumenten, is het oordeel van het Hof niet toereikend gemotiveerd.
2.5.
Het middel slaagt.

3.Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat het eerste middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft het door het Hof ten aanzien van feit 3 gegeven ontslag van alle rechtsvervolging en de strafoplegging;
wijst de zaak terug de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
25 oktober 2016.