De zaak betreft een geschil over naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd aan een gemeente die een schoolgebouw aan een vereniging leverde. De gemeente had het schoolgebouw op eigen kosten gebouwd en overgedragen aan de vereniging, waarbij een bedrag inclusief omzetbelasting was overeengekomen. Later werd de koopschuld omgezet in een aflossingsvrije rentedragende leenschuld.
De Inspecteur stelde dat de gemeente geen recht had op aftrek van de in rekening gebrachte omzetbelasting en legde naheffingsaanslagen op. Het Hof oordeelde dat sprake was van een levering onder bezwarende titel en dat de koopschuld was voldaan door omzetting in een leenschuld, waardoor de naheffingsaanslagen terecht waren.
De Hoge Raad vernietigt het hofarrest omdat het Hof onvoldoende rekening hield met het feit dat de gemeente in wezen geen vergoeding bedong. De Hoge Raad stelt dat het samenstel van rechtshandelingen inhoudt dat geen belastbare handeling in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 heeft plaatsgevonden. De Hoge Raad bevestigt daarmee het vonnis van de Rechtbank en verklaart het beroep in cassatie gegrond.