In deze zaak ging het om een beroep in cassatie tegen uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant betreffende een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en een naheffingsaanslag omzetbelasting over 2010.
De Hoge Raad verzocht de indiener van het cassatieberoep om binnen vier weken een bewijsstuk van de aan hem verstrekte volmacht te overleggen, dan wel een verklaring van degene namens wie het beroep werd ingesteld dat deze hiermee instemde. Deze brief werd echter wegens onbestelbaarheid teruggezonden, waarna alsnog een gewone brief werd verzonden, maar de indiener bleef in gebreke.
De Hoge Raad concludeerde daarop dat het beroep onbevoegd was ingesteld en verklaarde het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er werden geen proceskosten aan de zijde van partijen opgelegd. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 12 februari 2016.