Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
11 oktober 2016.
Hoge Raad
In deze zaak stond de ontvankelijkheid van een cassatieberoep centraal dat was ingesteld tegen een beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De betrokkene was veroordeeld tot betaling van een bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Na executie van dit vonnis door het Centraal Justitieel Incassobureau werd een dwangbevel uitgevaardigd, waartegen de betrokkene verzet aantekende. Dit verzet werd door het hof ongegrond verklaard, waarna betrokkene in cassatie ging.
De Hoge Raad oordeelde dat de betrokkene niet ontvankelijk was in het cassatieberoep omdat hij niet binnen de wettelijke termijn het verschuldigde bedrag had voldaan ter consignatie, zoals vereist op grond van artikel 575, derde lid, Sv. De Hoge Raad verduidelijkte dat in ontnemingszaken alleen het onherroepelijk opgelegde betalingsbedrag, verminderd met reeds voldane bedragen, als consignatiebedrag geldt.
Daarnaast werd opgemerkt dat geschillen over de status van nog niet onherroepelijke betalingsverplichtingen in faillissementen en de werking van gehomologeerde akkoorden kunnen worden behandeld in een procedure op grond van artikel 577b, tweede lid, Sv. De Hoge Raad wees het cassatieberoep af wegens niet-ontvankelijkheid en verwees naar de juiste procedure voor dergelijke betwistingen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart betrokkene niet-ontvankelijk in het cassatieberoep wegens het niet voldoen aan de consignatieplicht.