ECLI:NL:HR:2011:BP4781
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W.M. Tijnagel
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad beslist over vergoeding kosten verzet in belastingzaak
Belanghebbende kreeg voor het jaar 2005 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd, die na bezwaar werd gehandhaafd. Tegen deze uitspraak stelde belanghebbende beroep in bij de Rechtbank Haarlem, die het beroep niet-ontvankelijk verklaarde. Belanghebbende deed verzet tegen deze niet-ontvankelijkverklaring, waarna de Rechtbank het verzet gegrond verklaarde en het beroep ongegrond. De rechtbank wees de proceskostenvergoeding af. Het Hof bevestigde deze uitspraak, waarna belanghebbende cassatie instelde bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad oordeelde dat bij een gegrond verklaard verzet in belastingzaken de hoofdregel geldt dat het bestuursorgaan in de kosten wordt veroordeeld, ook voor het rechtsmiddel verzet. Het hof had ten onrechte geen vergoeding toegekend omdat het de toewijsbaarheid van de kostenvergoeding afhankelijk stelde van het beroep. Dit is een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad vernietigde daarom het hofarrest voor zover het de proceskostenvergoeding betreft.
De Hoge Raad veroordeelde de Staat tot vergoeding van het betaalde griffierecht voor cassatie en het hof, en veroordeelde de Staatssecretaris van Financiën en de Inspecteur in de kosten van het geding voor respectievelijk cassatie, het hof en het verzet. Het arrest werd gewezen door raadsheren Tijnagel, Feteris en Koopman op 18 februari 2011.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor zover het de proceskostenvergoeding betreft en veroordeelt de Staat tot vergoeding van griffierechten en kosten van rechtsbijstand.