Uitspraak
in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [A] B.V.,
kantoorhoudende te Ede,
gevestigd te [plaats] ,
wonende te [plaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
Besluit
[verweerster 1], als volgt:
[B] B.V., (…) en [betrokkene 1] , (…) in privé.
Niet in geschil is dat de statuten van [A] voorzagen in de mogelijkheid van tussentijdse uitkering. Aangenomen moet worden dat er voldoende vrije reserves aanwezig waren, en dat dus ook in dat opzicht aan de wettelijke en statutaire eisen voor het doen van deze tussentijdse uitkering was voldaan. Van nietigheid op grond van art. 2:216 leden Pro 2 en 4 (oud) BW is dan ook geen sprake. Dat het vanwege het faillissement van [A] niet meer kan komen tot vaststelling van een jaarrekening waaruit blijkt dat een winstuitkering ingevolge art. 2:216 lid 3 BW Pro geoorloofd is, maakt niet dat de tussentijdse uitkering alsnog ongeldig is. (rov. 4.13)
rov. 4.8) dat op 29 februari 2008 mocht worden aangenomen dat de vrije reserves tenminste gelijk waren aan het op 30 juni 2007 in de tussenbalans vastgestelde bedrag, ontoereikend gemotiveerd, aangezien het saldo van alle schuldenaren minus de voorziening van € 45.091,-- zorgde voor het (veronderstelde) niveau van de vrije reserves die integraal als dividend werden uitgekeerd.
art. 2:216 lid Pro 4 (oud) BW mag een vennootschap tussentijds uitkeringen doen, maar slechts indien de statuten dit toelaten en is voldaan aan het in art. 2:216 lid Pro 2 (oud) BW gestelde vereiste dat de uitkeringen worden gedaan “voor zover het eigen vermogen groter is dan het gestorte en opgevraagde deel van het kapitaal vermeerderd met de reserves die krachtens de wet of de statuten moeten worden aangehouden”.
4.Beslissing
23 september 2016.