ECLI:NL:HR:2016:1907

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 augustus 2016
Publicatiedatum
11 augustus 2016
Zaaknummer
15/05969
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieAlgemene wet inzake rijksbelastingen art. 16Algemene wet inzake rijksbelastingen art. 27eAlgemene wet inzake rijksbelastingen art. 47Algemene wet inzake rijksbelastingen art. 67e
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake belastingaanslagen en boetebeschikkingen

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 november 2015, waarin het hof de navorderingsaanslagen en aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, vermogensbelasting, boetebeschikkingen en heffingsrente over de jaren 1993 tot en met 2006 handhaafde.

De Hoge Raad ontving het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën en de conclusie van repliek van belanghebbende. Na beoordeling concludeerde de Hoge Raad dat de klachten van belanghebbende niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was nadere motivering niet vereist, omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad oordeelde verder dat er geen gronden waren voor een veroordeling in de proceskosten. Het arrest werd gewezen door de vice-president Koopman als voorzitter en raadsheren Schaap en Wortel, en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2016.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

12 augustus 2016
nr. 15/05969
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 17 november 2015, nrs. 12/00273 tot en met 12/00278, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Arnhem (nrs. AWB 06/345; 08/2518; 09/3115; 09/4671; 11/4121 tot en met 11/4125; 11/4127 tot en met 11/4136; 11/4138) betreffende de aan belanghebbende over de jaren 1993 tot en met 2002 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de voor de jaren 2003 tot en met 2006 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de over de jaren 1994 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2016.