In deze zaak betrof het een cassatieberoep van belanghebbende tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 8 juli 2015, waarin de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2009 en de beschikking inzake heffingsrente waren bevestigd.
De Hoge Raad heeft beoordeeld of het cassatieberoep ontvankelijk was. Uit de beoordeling bleek dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigden, omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang had bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie konden leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na overleg met de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Hiermee is het arrest van het Gerechtshof Den Haag in stand gebleven.
De uitspraak werd gedaan door raadsheer C. Schaap als voorzitter, samen met raadsheren Th. Groeneveld en M.E. van Hilten, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2016.