Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 28 januari 2016, nr. SGR 15/5834 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 5 november 2015.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag inzake een belastingrechtelijk bestuursrechtelijk geschil. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en een betalingstermijn van vier weken gesteld. Belanghebbende heeft het griffierecht niet voldaan en ook geen geldige reden voor betalingsonmacht aangevoerd.
De Hoge Raad heeft belanghebbende vervolgens in de gelegenheid gesteld om redenen voor de termijnoverschrijding mee te delen. De aangevoerde redenen in de brief van belanghebbende werden niet als voldoende geacht om het verzuim te rechtvaardigen. Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb is het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard.
De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2016.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.