Belanghebbende, een grensarbeider die sinds 1 januari 2009 in Nederland woont en in België werkt bij een werkgever met vaste inrichting in Nederland, verzocht samen met zijn werkgever om toepassing van de 30%-regeling. De Inspecteur keurde dit verzoek goed voor de periode 2009-2018. Voor het jaar 2009 bedroeg het totale loon € 222.151, waarvan € 151.462 werd verdiend in België en € 70.689 in Nederland.
Bij de belastingaangifte herrekende belanghebbende het Belgische loon met toepassing van de 30%-regeling, wat leidde tot een hogere algemene compensatie voor grensarbeiders. De Rechtbank oordeelde echter dat voor de berekening van de algemene compensatieregeling het Belgische loon zonder toepassing van de 30%-regeling moet worden genomen, omdat geen aparte vergoeding voor extraterritoriale kosten was overeengekomen.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat de vrijstelling voor extraterritoriale kosten niet kan worden toegepast als geen afzonderlijke vergoeding is overeengekomen. Een administratieve splitsing van het loon in loon en vergoeding is dan niet toegestaan. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard. De Hoge Raad veroordeelt belanghebbende niet in de proceskosten.