Belanghebbende sloot op 5 december 2008 een koopovereenkomst voor vier percelen grond met een verhuurd oud gebouw, waarbij hij opdracht kreeg het gebouw te slopen en de grond bouwrijp te maken vóór de levering. De kosten van sloop en huurbeëindiging kwamen voor rekening van belanghebbende. De koopovereenkomst was onder voorwaarde van gemeentelijke instemming en vergunningverlening.
De gemeente verleende sloop- en bouwvergunningen in 2009 en 2010, waarna de eigendom op 20 december 2010 werd geleverd. Het geschil betrof de vraag of belanghebbende vóór de juridische levering al de economische eigendom had verkregen. Het Hof oordeelde dat dit niet het geval was, omdat het risico van vergunningverlening en sloopkosten niet volledig bij belanghebbende lag en hij slechts een recht op levering had.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën en bevestigde het oordeel van het Hof. De Hoge Raad overwoog dat het feit dat belanghebbende de sloop uitvoert en de risico's draagt niet leidt tot overgang van economische eigendom vóór juridische levering. Het beroep werd ongegrond verklaard en de Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten.