ECLI:NL:HR:2015:896

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 april 2015
Publicatiedatum
7 april 2015
Zaaknummer
13/02983
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens niet tijdig indienen middelen

Deze zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Zowel de verdachte als het Openbaar Ministerie (vertegenwoordigd door de Advocaat-Generaal bij het Hof) hebben hun middelen van cassatie niet binnen de wettelijk gestelde termijn ingediend bij de Hoge Raad.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van beide partijen vanwege het niet naleven van de termijnen zoals voorgeschreven in artikel 437 van Pro het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft geen raadsman tijdig een schriftuur houdende middelen van cassatie laten indienen, en de Advocaat-Generaal bij het Hof heeft eveneens te laat een schriftuur ingediend.

De Hoge Raad oordeelde dat hierdoor het beroep van zowel de verdachte als het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk is. Dit arrest bevestigt de strikte naleving van de termijnen voor het indienen van cassatiemiddelen en benadrukt het belang van tijdige proceshandelingen in cassatieprocedures.

De uitspraak werd gedaan door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, samen met raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, op 7 april 2015.

Uitkomst: Verdachte en Advocaat-Generaal worden niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdig indienen middelen van cassatie.

Uitspraak

7 april 2015
Strafkamer
nr. S 13/02983 A
AJ/IC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 28 november 2012, nummer H 007/11, in de strafzaak tegen:
[verdachte], gevestigd in Sint Maarten.

1.Geding in cassatie

De beroepen zijn ingesteld door de verdachte en de Advocaat-Generaal bij het Hof.
Middelen van cassatie zijn namens de verdachte niet voorgesteld.
De Advocaat-Generaal bij het Hof heeft een schriftuur ingediend, die echter eerst na afloop van de bij de wet gestelde termijn bij de griffie van de Hoge Raad is ingekomen.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van zowel de verdachte als het Openbaar Ministerie in het beroep.

2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het door de verdachte ingestelde beroep

Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het door de Advocaat-Generaal bij het Hof ingestelde beroep

Nu de Advocaat-Generaal bij het Hof niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft ingediend, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat deze in het beroep niet kan worden ontvangen.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart zowel de verdachte als de Advocaat-Generaal bij het Hof niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 april 2015.