ECLI:NL:HR:2015:811

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 april 2015
Publicatiedatum
2 april 2015
Zaaknummer
14/03458
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake navorderingsaanslagen en heffingsrente

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 4 juni 2014, waarin het hoger beroep van belanghebbende werd behandeld over navorderingsaanslagen en aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 1997 tot en met 2001, 2003, 2004, en 2005 tot en met 2007.

De Hoge Raad ontving het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën, de conclusie van repliek van belanghebbende en de conclusie van dupliek van de Staatssecretaris. Na beoordeling van de middelen concludeert de Hoge Raad dat deze niet tot cassatie kunnen leiden, mede omdat de middelen geen rechtsvragen bevatten die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad acht geen gronden aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter en de raadsheren C. Schaap en J. Wortel, en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2015.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

3 april 2015
Nr. 14/03458
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z], Spanje(hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 4 juni 2014, nrs. BK‑13/00325 tot en met BK‑13/00334, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 12/1050 tot en met SGR 12/1058 en SGR 12/1846) betreffende de aan belanghebbende over de jaren 1997 tot en met 2001, 2003 en 2004 opgelegde navorderingsaanslagen en de voor de jaren 2005 tot en met 2007 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de daarbij gegeven beschikking inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een conclusie van dupliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice‑president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2015.