Belanghebbende diende op 26 september 2011 een aanvraag in voor een Nederlandse identiteitskaart bij de gemeente Amsterdam en werd geconfronteerd met een legesheffing van €43,85. Deze heffing werd door belanghebbende aangevochten, omdat volgens eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad het in behandeling nemen van een aanvraag geen dienst in de zin van de Gemeentewet zou zijn en dus geen grondslag bood voor legesheffing.
Het hof oordeelde dat de gemeentelijke legesverordening 2011 geen grondslag bood voor deze heffing en dat de reparatiewet niet correct door het gemeentelijke orgaan was vastgesteld. De Hoge Raad vernietigt dit oordeel en stelt dat de reparatiewet van 13 oktober 2011 een wettelijke grondslag biedt voor de heffing van rechten voor de aanvraag van een Nederlandse identiteitskaart, met terugwerkende kracht tot 22 september 2011.
De Hoge Raad benadrukt dat de reparatiewet de eerdere lacune in de Gemeentewet herstelt en dat de legesverordening 2011 als basis kan dienen voor de heffing. Het incidentele beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard. De uitspraak van het hof wordt vernietigd en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De Hoge Raad acht geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten en spreekt het arrest uit op 27 maart 2015.