Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin het hoger beroep tegen een beschikking van de Staatssecretaris van Financiën werd behandeld. Deze beschikking betrof een belastingrechtelijke aangelegenheid zoals bedoeld in artikel 5b, lid 5, AWR (tekst 2012).
De Hoge Raad ontving het verweerschrift van de Staatssecretaris en de conclusie van repliek van belanghebbende. Na beoordeling van de ingediende middelen oordeelde de Hoge Raad dat deze middelen niet tot cassatie konden leiden. Er waren geen rechtsvragen die beantwoord moesten worden in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarnaast achtte de Hoge Raad geen gronden aanwezig om proceskosten aan belanghebbende toe te rekenen. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2015.