Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de middelen
6 maart 2015.
Hoge Raad
Partijen waren gehuwd tot 2 november 2004. De man moest partneralimentatie betalen aan de vrouw, waarbij eerdere vaststellingen varieerden van nihil tot een bedrag van € 1.038 per maand over verschillende periodes. Het hof Amsterdam had bij beschikking van 3 april 2008 de alimentatie over een bepaalde periode vastgesteld en bepaald dat de vrouw het teveel betaalde niet hoefde terug te betalen, omdat de alimentatie van maand tot maand werd verbruikt.
De man stelde cassatie in tegen dit oordeel. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onjuist had aangenomen dat de alimentatie van maand tot maand werd verbruikt, omdat de alimentatie met terugwerkende kracht was toegewezen en de vrouw de bedragen pas later ontving. Hierdoor was de motivering van het hof onbegrijpelijk.
De Hoge Raad vernietigde de beschikking van het hof Amsterdam en verwees de zaak terug naar het hof Den Haag voor een nieuwe beoordeling aan de hand van maatstaven uit eerdere jurisprudentie, waarbij onder meer gekeken moet worden naar de mate waarin de vrouw de alimentatie heeft verbruikt, haar behoefte daaraan, en het belang van de man bij terugbetaling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het hof Amsterdam en verwijst de zaak terug voor herbeoordeling van de terugbetalingsverplichting van de vrouw.