Belanghebbende, de gemeente Wageningen, bracht omzetbelasting in aftrek over de bouwkosten van een nieuw schoolgebouw dat zij op eigen kosten had gerealiseerd. Na verkoop van het gebouw aan een stichting bracht zij omzetbelasting op de bouwkosten in aftrek, wat leidde tot een naheffingsaanslag door de Inspecteur. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het hof vernietigde de naheffingsaanslag geheel, oordeelde dat sprake was van een economische activiteit en verwierp het standpunt dat de vergoeding symbolisch was.
De Staatssecretaris stelde cassatie in tegen het oordeel van het hof. De Hoge Raad overwoog dat het hof terecht oordeelde dat de overdracht een economische activiteit betrof en dat de vergoeding niet symbolisch was, gelet op de waarde van het perceel met opstallen. Wel stelde de Hoge Raad vast dat het hof ten onrechte de naheffingsaanslag geheel vernietigde, terwijl een deel van de aanslag terecht was opgelegd wegens het onterecht in aftrek brengen van een bedrag waarvoor geen factuur was ontvangen.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en beperkte de naheffingsaanslag tot €101.475, het bedrag dat onbetwist in aftrek was gebracht zonder factuur. De zaak werd daarmee definitief afgedaan. Er werden geen proceskosten toegewezen.