Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tot herziening van het arrest van de
Hoge Raad der Nederlandenvan 10 juli 2015, nr. 15/00621, ECLI:NL:HR:2015:1860.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft een verzoek tot herziening ingediend tegen een arrest van 10 juli 2015. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en een betalingstermijn van vier weken gesteld. Ondanks deze waarschuwing is het griffierecht niet voldaan.
Hierop heeft de griffier belanghebbende nogmaals de gelegenheid geboden om redenen voor de termijnoverschrijding aan te voeren. De door belanghebbende aangevoerde redenen waren echter onvoldoende om het verzuim te rechtvaardigen.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, tweede volzin, in verbinding met artikel 8:119, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht, verklaart de Hoge Raad het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk. Er zijn geen gronden voor een veroordeling in proceskosten. Het arrest is op 4 december 2015 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.