Uitspraak
1.Geding in cassatie
2 Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
3 november 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. De Hoge Raad heeft het beroep grotendeels verworpen, maar constateert dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden doordat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Hoewel meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, acht de Hoge Raad de overschrijding van de redelijke termijn niet zodanig dat dit gevolgen heeft voor de strafoplegging. De opgelegde straf betrof een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
De Hoge Raad volgt daarmee de conclusie van de Advocaat-Generaal die vernietiging van de strafoplegging en vermindering daarvan voorstelde, maar het beroep voor het overige verwierp. De Hoge Raad beperkt zich tot het constateren van de termijnoverschrijding zonder verdere sancties.
Het arrest is gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 3 november 2015.
Uitkomst: De Hoge Raad constateert overschrijding van de redelijke termijn maar verwerpt het cassatieberoep zonder gevolgen voor de voorwaardelijke gevangenisstraf.