In deze zaak gaat het om een cassatieberoep van de man tegen een beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch inzake de afwikkeling van huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van gemeenschap van goederen. De kern van het geschil betreft de vraag of geld op een gemeenschappelijke bankrekening afkomstig is van privévermogen.
De man heeft beroep in cassatie ingesteld, terwijl de vrouw geen verweerschrift heeft ingediend. De Procureur-Generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 80a lid 1 RO.
De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Daarom wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
De beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk en V. van den Brink en in het openbaar uitgesproken door raadsheer G. de Groot op 30 oktober 2015.