Belanghebbende was in 2006 en 2007 in dienst bij een werkgever die hem een auto ter beschikking stelde. Hij verzocht om een verklaring geen privégebruik en sloot een overeenkomst waarin werd afgesproken dat een vergoeding voor privégebruik zou worden verrekend in rekening-courant aan het einde van het boekjaar.
De Belastingdienst legde naheffingsaanslagen op vanwege het ontbreken van een deugdelijke rittenregistratie en stelde dat de bijtelling wegens privégebruik van de auto verschuldigd was. Belanghebbende voerde aan dat de vergoeding voor privégebruik in mindering gebracht moest worden op de bijtelling.
Het Hof oordeelde dat alleen vergoedingen die in het betreffende loontijdvak of boekjaar onvoorwaardelijk verschuldigd zijn, in mindering kunnen worden gebracht. Omdat de vergoeding pas in 2009 werd verrekend, was deze niet aftrekbaar voor de jaren 2006 en 2007.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verduidelijkte dat de term "verschuldigd" in artikel 13bis, lid 6, Wet LB 1964 niet vereist dat de vergoeding in het aangiftetijdvak betaald is, maar wel dat deze onvoorwaardelijk is geworden. De voorwaardelijke vergoeding in deze zaak was dat niet, waardoor deze niet in mindering kon worden gebracht.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden daarmee definitief toe.