ECLI:NL:HR:2015:3072

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 oktober 2015
Publicatiedatum
14 oktober 2015
Zaaknummer
14/01323
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 331 SvArt. 6 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afzien van horen niet verschenen getuige en vermindert geldboete wegens termijnoverschrijding

In deze strafzaak heeft de verdachte cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin hij bij verstek was veroordeeld. Het geschil betrof onder meer de vraag of het Hof terecht had afgezien van het horen van een niet verschenen getuige zonder uitdrukkelijke toestemming van de verdediging en de Advocaat-Generaal.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie (HR 19 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD2182) en bevestigt dat het Hof op grond van art. 331, tweede lid, Sv ook zonder toestemming van de verdachte mag besluiten af te zien van een nadere oproeping van een niet verschenen getuige. Klacht van de verdachte hierover faalt dan ook.

Daarnaast constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro is overschreden, wat leidt tot een ambtshalve vermindering van de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis. De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest uitsluitend voor zover het de hoogte van de geldboete en de duur van de hechtenis betreft en vermindert deze.

De rest van het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het Hof het overige in stand houdt. Hiermee wordt bevestigd dat het procesrechtelijk afzien van het horen van een niet verschenen getuige zonder toestemming toelaatbaar is en dat termijnoverschrijding kan leiden tot strafvermindering.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt het afzien van het horen van een niet verschenen getuige zonder toestemming en vermindert de geldboete wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

13 oktober 2015
Strafkamer
nr. S 14/01323 E
DAZ/AJ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Den Haag, Economische Kamer, van 24 juli 2013, nummer 22/001353-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel behelst de klacht dat het Hof zonder uitdrukkelijke toestemming van de verdediging en de Advocaat-Generaal bij het Hof heeft afgezien van het horen van een niet verschenen getuige.
2.2.
Ter terechtzitting van 16 januari 2013 heeft het Hof bevolen [getuige 1] als getuige op te roepen voor de nadere terechtzitting. Op de daarop volgende terechtzitting van 10 juli 2013, waarop de verdachte noch diens raadsman aanwezig was, heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsgevonden. Het Hof heeft toen kennelijk afgezien van een nadere oproeping van de niet verschenen getuige [getuige 1] . Gelet op art. 331, tweede lid, Sv kon het Hof ook zonder de toestemming van de verdachte aldus beslissen (vgl. HR 19 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD2182, NJ 2001/161, rov. 4.3). Door de verdachte kan niet met vrucht worden geklaagd dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet blijkt dat de Advocaat-Generaal heeft ingestemd met het afzien van de nadere oproeping van die getuige.
Op het voorgaande stuit het middel af.

3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 10.000,-, subsidiair 85 dagen hechtenis, waarvan € 5.000,-, subsidiair 60 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

4.Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis;
vermindert de geldboete en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze € 9.750,-, subsidiair 84 dagen hechtenis, bedragen, waarvan € 5.000,-, subsidiair 60 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 oktober 2015.