Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het namens de verdachte voorgestelde middel
4.Beslissing
13 oktober 2015.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die op 3 oktober 2012 in Rotterdam openlijk een joint rookte, hetgeen werd bewezen verklaard op basis van een proces-verbaal en verklaringen. De tenlastelegging betrof overtreding van artikel 3.3.4 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Rotterdam 2008, dat openlijk drugsgebruik op of aan de weg en andere voor publiek toegankelijke plaatsen verbiedt.
De verdachte stelde dat het hof ten onrechte deze APV-bepaling verbindend heeft geacht, omdat de Opiumwet het gebruik van drugs niet strafbaar stelt. De Hoge Raad overwoog dat de Opiumwet primair het belang van de volksgezondheid beschermt en het gebruik van drugs niet strafbaar stelt, maar dat de gemeentelijke verordening op grond van de Gemeentewet bevoegd is aanvullende regels te stellen ter handhaving van de openbare orde.
De Hoge Raad bevestigde dat artikel 3.3.4 APV Rotterdam 2008 een ander motief (openbare orde) dient dan de Opiumwet (volksgezondheid) en dat de gemeenteraad niet buiten zijn bevoegdheid is getreden door het gebruik van drugs op openbare plaatsen strafbaar te stellen. Het beroep van de verdachte werd verworpen en het beroep van de Advocaat-Generaal bij het Hof niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de verbindendheid van het blowverbod in de APV Rotterdam en verwerpt het cassatieberoep van de verdachte.